11 januari 2026

Want niemand verstaat het

Toen ik twee jaar geleden tot geloof kwam, ben ik in aanraking gekomen met een veelheid aan geestelijke ervaringen waarin ik mijn weg heb moeten zoeken. Ik heb me hierover uitgelaten in een podcast over de hypercharismatische kerk, tijdens een interview bij Christendom en in een lezing over New Age in de kerk. Je zult begrijpen dat daar veel reactie op komt, en dat dit ook weer nieuwe vragen oproept. Een daarvan gaat over de interpretatie van 1 Korinthe 14, waarin ik me vervolgens heb vastgebeten en waarover ik graag mijn overpeinzingen deel.

Dit artikel is geen oordeel over de oprechtheid, liefde voor God of het verlangen naar geestelijke verdieping van gelovigen die anders denken over tongentaal. Velen zoeken met een eerlijk hart naar de werking van de Heilige Geest. Wat hier volgt is geen aanval op personen of motieven, maar een poging om zorgvuldig te luisteren naar de tekst van 1 Korinthe 14 en de vragen serieus te nemen die dit hoofdstuk zelf oproept. Mijn zoektocht richt zich niet op intenties, maar op de vraag wat Paulus hier daadwerkelijk onderwijst — en hoe dat ons helpt om Christus en de opbouw van de gemeente centraal te houden.

 

Waarom 1 Korinthe 14 zo bepalend is

 

1 Korinthe 14 is cruciaal in het debat over tongentaal. Vaak wordt verwezen naar verzen zoals 2, 4, 14, 15, 18, 21 en 23 om aan te tonen dat bidden in tongen een onverstaanbare taal kan zijn, zonder dat uitleg nodig is, omdat het vooral een gebedstaal tussen jou en God zou zijn. Om te begrijpen wat Paulus hier werkelijk bedoelt, heb ik dit hoofdstuk vers voor vers onderzocht, met oog voor de samenhang van zijn woorden en het doel van zijn betoog. 

 

Paulus opent hoofdstuk 14 niet losstaand, maar als rechtstreeks vervolg op hoofdstuk 13, waarin hij de liefde tekent als de weg die alle geestelijke gaven overstijgt. Vanuit die context formuleert hij zijn uitgangspunt:

 

“Jaag de liefde na, streef naar de geestelijke gaven, maar vooral dat u mag profeteren.”

 

Met deze oproep zet Paulus het kader voor het hele hoofdstuk. Liefde is de norm waaraan alle gaven worden getoetst, en profetie wordt aangewezen als de gave die — binnen dat kader — de gemeente het meest dient. Wat volgt in hoofdstuk 14 is dan ook geen los debat over bijzondere ervaringen, maar een concrete uitwerking van dit principe: geestelijke gaven zijn waardevol, maar alleen voor zover zij in liefde bijdragen aan de verstaanbare opbouw van de gemeente.

 

Het vers dat hier direct op volgt, raakt de kern van de vraag die Paulus vervolgens uitwerkt: spreken we tot God, of tot de opbouw van de gemeente?

 

“Wie namelijk in een andere taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand begrijpt het; maar in zijn geest spreekt hij geheimenissen.” (1 Kor. 14:2)

 

In de Studiebijbel wordt dit uitgelegd als volgt: Paulus zou het spreken in talen hier zien als een vorm van gebed en lofprijzing tot God, zij het in een taal die de spreker zelf niet begrijpt. Daarbij wordt gesteld dat het hier meestal niet gaat om een bestaande menselijke taal (zoals in Handelingen 2), maar om een onbekende taal.

 

Hoewel deze uitleg binnen het debat vaak als vanzelfsprekend wordt gepresenteerd, merkte ik dat ik er bij herlezing steeds meer vragen bij kreeg. Niet omdat deze lezing onmogelijk is, maar omdat de context van hoofdstuk 14 ruimte lijkt te laten voor een andere — minstens zo serieuze — interpretatie. In deze blog wil ik die andere interpretatie voor het voetlicht brengen.

 

De bredere context: correctie, geen promotie

 

Wat in elk geval moeilijk te ontkennen is, is dat Paulus in 1 Korinthe 14 bezig is met correctie. Hij relativeert het spreken in tongen, herordent geestelijke waarden en tempert geestelijk elitisme. De Korintiërs lijken gefixeerd te zijn geraakt op tongentaal en gebruikten deze gave zonder uitleg, als zichtbaar teken van geestelijke superioriteit. Het hele betoog van Paulus stuurt hiertegenin.

 

Dat kader beïnvloedt onvermijdelijk hoe je vers 2 leest.

 

Een alternatieve lezing: retorisch en corrigerend

 

Binnen dat kader vind ik de uitleg die John MacArthur geeft het overwegen waard. Hij leest 1 Korinthe 14:2 niet als een aanbeveling, maar als een ontmaskering van het probleem.

 

Vrij weergegeven zegt Paulus hier volgens deze lezing:

“Jullie spreken inderdaad tot God — maar niemand heeft er iets aan, want niemand verstaat het.”

 

De sleutelzin is: “want niemand verstaat het.” Dat is geen detail, maar de kern van Paulus’ bezwaar. Technisch gezien is er sprake van spreken tot God, maar functioneel is het zinloos voor de gemeente. En juist dát is waar Paulus steeds op terugkomt: opbouw.

 

Dat verklaart ook waarom Paulus onmiddellijk het contrast trekt:

 

“Maar wie profeteert, spreekt tot mensen en brengt opbouw…” (14:3)

 

Dit is geen parallel, maar een tegenstelling. Door het hele hoofdstuk heen zet Paulus tongentaal af tegen profetie, en telkens komt profetie als de betere gave naar voren — omdat zij verstaanbaar is en de gemeente dient.

 

Paulus lijkt hier een bekende stijl te hanteren: hij neemt de taal of slogans van de Korintiërs over om ze vervolgens te keren. Dat doet hij elders ook (vgl. 1 Kor. 4:8; 6:12; 8:1).

 

“Geheimenissen spreken” — mystiek of onbegrepen?

 

Een belangrijk punt in deze discussie is de frase: “in zijn geest spreekt hij geheimenissen.” Dit wordt vaak gelezen als een positieve, mystieke beschrijving van een innerlijk gebed tot God. Maar binnen de context van hoofdstuk 14 is dat allerminst vanzelfsprekend.

 

Het Griekse woord mystēria betekent bij Paulus niet automatisch diepe, verheven of esoterische openbaringen. In de Bijbel gebruikt hij dit woord consequent om aan te geven wat eerst verborgen was maar nu geopenbaard wordt door woorden, uitleg en verkondiging (vgl. 1 Kor. 2:7–10; Ef. 3:3–5; Kol. 1:26–27). In deze passages gaat het telkens om een geheim dat door God verborgen was, maar dat nu door Zijn openbaring verstaanbaar wordt gemaakt.

 

In 1 Korinthe 14 verwijst Paulus naar mystēria in de context van tongentaal: de woorden blijven “geheimen” zolang niemand ze verstaat of uitlegt. Het gaat dus niet om een hogere geestelijke diepte, maar om het praktische probleem dat de gemeente geen vrucht heeft van een boodschap die onverstaanbaar blijft. De focus ligt op opbouw van de gemeente door verstaanbare communicatie, niet op persoonlijke, mystieke ervaring.

 

Paulus werkt dit zelf verder uit in vers 14:

 

“Want als ik bid in een andere taal, bidt mijn geest, maar mijn verstand blijft onvruchtbaar.”

 

De activiteit blijft steken in het innerlijk. Het bereikt het verstand niet — noch dat van de spreker, noch dat van de gemeente. En juist dát is wat Paulus problematisch vindt. Het is geen aanbeveling van een geestelijke praktijk, maar een beschrijving van haar beperking.

 

Tongentaal: toegestaan, maar strikt begrensd

 

Paulus verbiedt het spreken in tongen niet. Hij is ook niet afwijzend in absolute zin. Maar waar hij ruimte laat, onderwerpt hij deze gave consequent aan orde en verstaanbaarheid:

14:5 — liever profetie dan talen

14:12 — zoek gaven die de gemeente opbouwen

14:19 — liever vijf verstaanbare woorden dan tienduizend onverstaanbare

14:28 — zonder uitleg: zwijgen

 

Binnen deze lijn is 1 Korinthe 14:2 geen grondtekst voor een normatieve, private gebedstaal, maar onderdeel van Paulus’ corrigerende betoog tegen een eenzijdige fixatie op tongentaal. Belangrijk om te beseffen is dat, ook als tongentaal een (voor mensen) onbekende taal is, het nog steeds een echte taal moet zijn: een systematische structuur met woorden en zinnen die betekenis kan dragen en eventueel uitgelegd kan worden. Een willekeurige reeks klanken zonder structuur of betekenis valt buiten deze definitie.

 

Een bredere zorg

 

Wat mij persoonlijk zorgen baart, is dat een praktijk die niet toetsbaar is aan verstand en Schrift, gemakkelijk losraakt van geestelijk onderscheid. God heeft geen onbegrijpelijke taal nodig om ons te verstaan. En zelfopbouw die niet getoetst kan worden aan het Woord roept vragen op over wat er daadwerkelijk wordt opgebouwd — temeer omdat geestelijke gaven in het Nieuwe Testament consequent worden gegeven met het oog op de opbouw van anderen, niet van het individu zelf.

 

Paulus is daar opvallend helder over: de gaven zijn gegeven “tot opbouw van de gemeente” (1 Kor. 12:7; 14:12). Wat hij daarmee bedoelt, wordt verder verduidelijkt in Efeze 4:11–16: opbouw van de gemeente betekent toerusting van de gelovigen, bevordering van eenheid in geloof en kennis van Christus, en groei naar volwassenheid, zodat ieder lid vruchtbaar kan meebouwen. 

 

Dat maakt “zelfopbouw” niet tot een zelfstandig geestelijk doel, maar eerder tot een bijproduct dat ondergeschikt is aan liefde, orde en verstaanbare dienstbaarheid. Wanneer een praktijk vooral naar binnen gericht blijft en niet gedeeld, getoetst of verstaan kan worden, schuurt dat met het doel waarvoor de gaven gegeven zijn.

 

Jezus waarschuwt niet voor niets tegen gedachteloos bidden “zoals de heidenen” (Matt. 6:7). Hij corrigeert daar een vorm van gebed die losraakt van bewuste, gerichte aandacht tot God — niet omdat oprechtheid of verlangen ontbreekt, maar omdat woorden worden herhaald zonder betrokkenheid van hart én verstand.

 

Het Griekse werkwoord dat Jezus gebruikt (batalogeō) duidt op het mechanisch of automatisch herhalen van klanken of formules, in de verwachting dat de hoeveelheid woorden op zichzelf geestelijke kracht heeft. Jezus keert zich daarmee niet tegen intens of volhardend gebed, maar tegen een praktijk waarin het verstand wordt uitgeschakeld en de inhoud niet langer wordt gewogen of verstaan.

 

Juist in dat licht wordt de vraag onontkoombaar of bepaalde moderne vormen van tongentaal werkelijk passen binnen het Bijbelse kader van orde, opbouw en verstaanbaarheid. Wanneer gebed of lofprijzing zich onttrekt aan toetsing — door Schrift, door verstand en door de gemeenschap — verdwijnt geestelijk onderscheid naar de achtergrond. En precies dát onderscheid is volgens het Nieuwe Testament onmisbaar voor ware opbouw.

 

Tot slot

 

Het bestaan van de gave van tongen wordt hiermee niet ontkend. Maar elke gave kan worden misbruikt. En 1 Korinthe 14 lijkt juist geschreven om zo’n misbruik te corrigeren.

 

De toets blijft steeds dezelfde: leidt dit tot verstaanbare opbouw van de gemeente, tot meer gehoorzaamheid aan Christus, en tot verdieping in Gods Woord? Of verschuift de aandacht naar ervaring als zodanig?

 

Voor mij blijft dit Paulus’ meest helpende richtingwijzer:

“Jaag de liefde na, streef naar de geestelijke gaven — maar vooral dat u mag profeteren.”

 


Dit is de eerste blog van een vierluik over 1 Korinthe 14. In de tweede blog zal het gaan over wat Paulus zegt over profetie en de rol van geestelijke gaven in het dagelijks leven van de gemeente in 1 Korinthe 14:3-5. De derde blog zoomt in op 1 Korinthe 14:12-19 waarin Paulus laat zien hoe gaven vruchtbaar kunnen zijn en wat verstaanbaarheid daarbij betekent. En de vierde blog gaat over 1 Korinthe 14:20-28, waarin Paulus de discussie verdiept door te spreken over geestelijke volwassenheid, onderscheid en orde in de samenkomst. 

 

 

 

...

Laat je horen

0 reacties

profile

Loading editor...

Registreren
logo