19 januari 2026

Liefde, profetie en opbouw

In de vorige blog heb ik mijn persoonlijke zoektocht beschreven naar de betekenis van 1 Korinthe 14, een hoofdstuk dat een sleutelrol speelt in het debat over tongentaal (zie "Want niemand verstaat het"). Die zoektocht ontstond omdat ik na mijn bekering te maken kreeg met uiteenlopende geestelijke ervaringen en interpretaties daarvan. Ik wilde zélf onderzoeken wat de Bijbel erover zei. De centrale vraag was en is dus niet wie oprecht is of niet, maar wat Paulus hier nu daadwerkelijk leert, en hoe dat bijdraagt aan de opbouw van de gemeente en de focus op Christus.

 

Terugblik: waarom 1 Korinthe 14 zoveel gewicht heeft

 

We zagen dat Paulus hoofdstuk 14 niet los schrijft, maar als direct vervolg op hoofdstuk 13. Liefde vormt het toetsingskader voor alle geestelijke gaven. Vanuit dat perspectief plaatst Paulus profetie nadrukkelijk boven tongentaal, niet omdat tongentaal per definitie verkeerd is, maar omdat profetie verstaanbaar is en de gemeente dient.

 

Een belangrijk punt in de bespreking was 1 Korinthe 14:2, een vers dat vaak wordt aangehaald ter ondersteuning van tongentaal als private gebedstaal. Door het hoofdstuk als geheel te lezen, werd duidelijk dat Paulus hier waarschijnlijk niet promoot, maar corrigeert. Zijn nadruk ligt steeds op hetzelfde probleem: wat niemand verstaat, bouwt niemand op. De woorden “want niemand verstaat het” blijken geen bijzaak, maar de kern van zijn bezwaar.

 

Ook de term “geheimenissen” kreeg in die context een andere lading. Bij Paulus duidt dit woord niet op mystieke diepgang, maar op iets dat verborgen blijft zolang het niet wordt uitgelegd. Tongentaal zonder uitleg blijft daarom onvruchtbaar — voor de spreker én voor de gemeente. Dat maakt Paulus’ uitspraak in vers 14 (“mijn verstand blijft onvruchtbaar”) geen aanbeveling, maar een kritische constatering.

 

Door het hele hoofdstuk heen blijft Paulus consequent: tongentaal is toegestaan, maar strikt begrensd. Zonder uitleg moet er worden gezwegen, en verstaanbare woorden wegen zwaarder dan indrukwekkende ervaringen. Geestelijke gaven zijn geen middel tot zelfprofilering of individuele beleving, maar gegeven “tot opbouw van de gemeente”.

 

Tot slot kwam de bredere zorg aan bod: wanneer een geestelijke praktijk zich onttrekt aan verstand, Schrift en toetsing binnen de gemeenschap, verdwijnt geestelijk onderscheid naar de achtergrond. Juist daarvoor waarschuwen zowel Paulus als Jezus. De centrale vraag blijft daarom steeds dezelfde: leidt dit tot liefdevolle, verstaanbare opbouw en gehoorzaamheid aan Christus — of verschuift de aandacht naar de ervaring zelf?

 

Liefde, profetie en opbouw

 

In deel één van dit vierluik hebben we gekeken naar 1 Korinthe 14:1–2 en het spreken in tongen “waar niemand iets van verstaat”. We zagen dat Paulus in dit hoofdstuk niet zozeer promoot, maar corrigeert. Hij relativeert het spreken in tongen en verlegt de nadruk naar wat werkelijk telt: de verstaanbare opbouw van de gemeente. Niet individuele zelfstichting staat centraal, maar het gezamenlijke geestelijke welzijn van het lichaam van Christus.

 

In dit tweede blog wil ik die lijn verder volgen en inzoomen op wat Paulus zegt over profetie. Want juist in de verzen die hierop volgen — 1 Korinthe 14:3–5 — wordt zichtbaar wat Paulus bedoelt met geestelijke gaven die functioneren binnen het kader van liefde, orde en opbouw.

 

We zullen zien dat Paulus profetie niet beschrijft als iets mystieks of elitairs, maar als een concrete, verstaanbare vorm van spreken die gericht is op anderen. Het gaat hem niet om indrukwekkende ervaringen, maar om woorden die daadwerkelijk iets doen: zij bouwen op, vermanen en troosten.

 

Belangrijk daarbij is dat we deze verzen niet los lezen, maar als onderdeel van Paulus’ bredere betoog. Hij schrijft aan een gemeente die gefixeerd is geraakt op spectaculaire gaven en daarin het doel uit het oog dreigt te verliezen. Tegen die achtergrond krijgen zijn woorden extra gewicht.

 

In wat volgt, gaan we 1 Korinthe 14:3–5 vers voor vers bekijken. Daarbij stellen we telkens dezelfde vraag:

 

hoe dienen geestelijke gaven, volgens Paulus, het dagelijks leven van de gemeente, en wat zegt dat over hoe wij vandaag omgaan met profetie, spreken en geestelijke opbouw?

 

Profetie versus tongentaal

 

Paulus opent hoofdstuk 14 met een duidelijke oproep:

 

“Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, en vooral daarnaar dat u mag profeteren. Wie namelijk in een andere taal spreekt, spreekt niet tot mensen, maar tot God, want niemand begrijpt het, maar in zijn geest spreekt hij geheimenissen.”

 

Kortom, liefde is de norm waaraan alle gaven worden getoetst, en profetie wordt aangewezen als de gave die — binnen dat kader — de gemeente het meest dient. Aan tongentaal heeft de gemeente niets als niemand het begrijpt.  

 

Paulus vervolgt in vers 3:

 

“Wie echter profeteert, spreekt tot mensen woorden van opbouw en vermaning en troost.” 

 

Profetie is hier duidelijk gericht op anderen. Het doel is expliciet: de gemeente wordt opgebouwd, vermaand of bemoedigd, en getroost. In tegenstelling tot tongentaal, die in Korinthe vaak niet werd begrepen en daardoor bij het individu bleef steken, is profetie bedoeld voor gemeenschappelijke vrucht.

 

Wat Paulus onder profetie verstaat

 

In de tijd van Paulus was er nog geen complete Bijbel zoals we die nu kennen. Veel mensen hadden geen toegang tot de Schrift en schriftgeleerden waren zeldzaam. Daarom had het spreken van woorden die de gemeente opbouwden en inzicht gaven in Gods wil een directe en praktische waarde. Het ging dus niet over het voorspellen van de toekomst, zoals soms in het Oude Testament gebeurde, maar om het verstaanbaar overbrengen van Gods Woord. 

 

Paulus schrijft in vers 29:

 

“Laat twee of drie profeten spreken en de anderen beoordelen.”

 

Hieruit blijkt dat de woorden van een profeet door anderen kunnen worden getoetst. Dat past niet bij het idee van een onontkoombare voorspelling. Een voorspelling laat zich immers niet toetsen of wegen; die “komt uit of niet”. Paulus beschrijft profetie juist als iets dat in de gemeenschap functioneert en daarop beoordeeld wordt. Voorbeelden zijn het uitleggen van een Bijbelse waarheid, het delen van een inzicht dat anderen helpt groeien, of het geven van advies dat troost biedt of aanspoort tot gehoorzaamheid. Dat sluit niet uit dat God soms ook een inzicht in de toekomst geeft, maar in de context van Paulus draait profetie primair om praktische, gemeenschapsgerichte opbouw, niet om mystieke of persoonlijke openbaringen.

 

Zelfopbouw versus opbouw van de gemeente

 

Het contrast met tongentaal wordt duidelijk in 1 Korinthe 14:4:

 

“Wie in een andere taal spreekt, bouwt zichzelf op, maar wie profeteert, bouwt de gemeente op.”

 

In tegenstelling tot profeteren, bouwt tongentaal alleen jezelf op, zegt vers 4. Dit vers wordt vaak aangehaald om tongentaal als persoonlijke gebedstaal te onderbouwen. Maar hier constateert Paulus juist een probleem: zelfopbouw is nooit het doel van geestelijke gaven. Het kan een bijproduct zijn, maar de nadruk ligt altijd op de opbouw van de gemeente (vgl. 1 Kor. 12:7; 14:12). Zelfopbouw verwijst in deze context naar een subjectieve ervaring die niet door anderen kan worden getoetst. Dat is precies het punt dat Paulus wil maken. Profeteren daarentegen bouwt de gemeente wél op! 

 

Het belang van verstaanbaarheid

 

In 1 Korinthe 14:5 benadrukt Paulus het belang van profetie boven tongentaal:

 

“Ik zou wel willen dat u allen in andere talen spreekt, maar vooral dat u profeteert. Immers, wie profeteert, is meer dan wie in andere talen spreekt, tenzij hij het uitlegt, opdat de gemeente erdoor opgebouwd wordt.”

 

Zelfs als iedereen in tongen zou kunnen spreken, blijft profetie het meest waardevol voor de gemeente, tenzij de tongentaal wordt uitgelegd. Het gaat steeds om de opbouw van de ander: woorden moeten verstaanbaar en toetsbaar zijn en de gemeenschap dienen.

 

Context: correctie en orde

 

De Korintiërs waren gefixeerd op bijzondere gaven, vooral tongentaal, als teken van geestelijke volwassenheid. Paulus corrigeert dit niet om tongentaal zelf af te wijzen, maar om liefde, orde en verstaanbaarheid centraal te stellen. Hij wil dat gaven de gemeente dienen en niet gebruikt worden om jezelf te verheffen. Dat is extra begrijpelijk omdat de gemeente in Korinthe grotendeels uit heidenen bestond, voor wie veel van de Joodse achtergrond en Bijbelse kennis onbekend was. Bovendien lag het misbruiken van tongentaal dicht bij heidense gebedspatronen, waarvoor Paulus in Mattheüs 6:7 waarschuwt: het eindeloos herhalen van woorden zonder begrip of inhoud heeft geen waarde.

 

Hoofdstuk 14 kan daarom niet los worden gelezen van hoofdstuk 13. In dat hoofdstuk legt Paulus uit dat liefde het fundament is van alle gaven: zonder liefde zijn zelfs de indrukwekkendste gaven waardeloos. Liefde bepaalt het juiste gebruik van gaven en beschermt tegen misbruik of ijdel vertoon. Voor de Korintiërs, die de neiging hadden om gaven als statussymbool te gebruiken, is dit van cruciaal belang. Hoofdstuk 13 biedt de norm: alle gaven, ook tongentaal of profetie, moeten in dienst staan van de opbouw van anderen en de eenheid van de gemeente.

 

Onze gaven in de praktijk

 

We mogen ons afvragen: hoe gebruiken wij onze gaven in de praktijk? Bouwen onze woorden, ons gebed, onze lofprijzing en ons onderwijs de ander op? Of blijven ze vooral naar binnen gericht, zonder dat iemand er werkelijk iets mee kan? Paulus geeft een heldere richtlijn: gebruik wat God geeft altijd in dienst van liefde en opbouw van de ander. Deze vragen doen niets af aan iemands oprechtheid of verlangen naar God, maar helpen scherp te blijven op het doel waarvoor de Geest zijn gaven geeft.

 


Dit was het tweede blog van een vierluik over 1 Korinthe 14. In het volgende blog bekijken we 1 Korinthe 14:12–19, waar Paulus nog scherper ingaat op de rangschikking van gaven en duidelijk maakt dat geestelijke vruchtbaarheid onlosmakelijk verbonden is met verstaanbaarheid in de gemeente.

...

Laat je horen

0 reacties

profile

Loading editor...

Registreren
logo