9 juni 2026
Na mijn hypercharismatische NAR-kerkfiasco ging ik op een andere manier op zoek naar een kerk. Niet meer all in en head first, maar gewoon aanschouwen en aftasten. Laten we gewoon gaan inventariseren, dacht ik. Wat heeft Christenland te bieden? Ik bezocht in totaal 20 kerken, waarvan ik er een paar dan een aantal weken bezocht. Mijn kerk zat er niet bij. Op enig moment was ik het zat, en een beetje hopeloos. Is er dan nog een kerk waar het een beetje te pruimen is? Zonder preek-plingel-vallen graag. Maar ook zonder die angst en schuchterheid in de ogen aub. Toen ik aan het einde van mijn hoop was gekomen, besloot ik het om te draaien. Heer, waar wilt U mij hebben. Niet mijn wil, maar Uw wil. Waar kunt U me gebruiken?

Kerk nummer 21 was de Groote Kerk in Maasluis, waar ik nu kerk. Een plek waar ik me heel snel thuis voelde, waar ik geraakt werd door de preek, en waar ik de mensen pretentieloos vond. Ik werd niet binnen gehaald, maar wel verwelkomd. Toevallig trad die zondag het gelegenheidskoor op, waardoor ik ongegeneerd naar iedereen kon kijken. Allemaal verschillende mensen, van jong tot oud, zonder opsmuk, gewoon hoe het was. Ik vond het verfrissend.
Ik besloot vaker te gaan. Wel vond ik het orgel heel pregnant en de zanglijn willekeurig en moeilijk te volgen. Bij de koffie bracht ik het op. Of ze niet vaker pianoliederen konden zingen. Dat zou toch ook beter aanslaan bij nieuwgelovigen. Bovendien waren veel psalmen voor bezoekers nauwelijks mee te zingen. Daar moest toch iets op te verzinnen zijn. Ze gaven open antwoord: ze combineerden het bewust. Psalmen op oude berijming, Weerklank en pianoliederen. Voor ieder wat wils. Goed verhaal, maar mijn orgelirritatie raakte ik er niet mee kwijt. Hoe ging ik hier aan wennen?
De week erna sprak ik Cor. Cor was een gepensioneerd technisch docent en vertelde mij bij de koffie over een jongen die hij jaren geleden in de klas had gehad. De grootste schooier van de school, die door iedereen al was opgegeven. Een boef die er met zijn pet naar gooide. De rest van het docententeam verklaarde Cor min of meer voor gek dat hij er nog tijd in stak. Maar Cor besloot hem te helpen. Hij loodste hem door zijn eindexamen heen door hem bijles te geven. Maar daar bleef het niet bij. In de uren die ze samen doorbrachten, vertelde hij hem ook over God en Jezus en gaf hij hem een Bijbel. De jongen slaagde niet alleen voor zijn examen, maar kwam ook tot geloof en liet zich dopen. Cor vertelde het met tranen in zijn ogen. En ik voelde het ook even in mijn neus prikken. “Dit was toch wel de gouden griffel op mijn loopbaan als docent,” zei hij.
Ik vroeg hoe lang hij al lid was. Hij noemde een hele lange periode, ik meen me te herinneren wel veertig jaar, maar misschien wel langer zelfs. Dat vond ik trouw. Dan had hij hier een hoop meegemaakt. Dat klopte, zei hij. Maar wie er preekte maakte hem eerlijk gezegd niet zoveel uit. “Als dat orgel maar klinkt. Ik hou zo van dit orgel.”
En in dat moment leerde God me een les. Een les die ik waarschijnlijk alleen op een plek als een kerk had kunnen leren. Waar gebrekkige mensen samenkomen en het met elkaar hebben te doen. Waarbij dat helemaal niet zo ingewikkeld is, zolang je je maar richt op God en samen Zijn wil zoekt. Maar waar dat hapert als we zelf te veel centraal komen te staan. En waar het kan knetteren als je rechtvaardigheid in het horizontale verwacht en daarbij vergeet dat de enige relevante rechtvaardigheid jou geschonken is uit genade. God gaf mij die les in Zijn lichaam, waar een man die van orgelmuziek houdt mij meer leerde dan ik had verwacht. Ik ontdekte dat ik ook blij kon zijn voor iemand anders. Dat ik dankbaar kon zijn voor iets waar een ander gelukkig van werd. Dat andermans geluk ook mijn geluk kon zijn.
Cor houdt wel van orgel… Wat geweldig dat het orgel er is!
De zondag erna speelde het orgel weer zoals altijd. Ik gunde het hem van harte.
Laat je horen
0 reacties